1950-1960

Na een groot tekort aan kleding tijdens de oorlog droomden de meeste vrouwen van zachte lijnen en een overdaad aan weelderige stoffen. De New Look (Christian Dior!) die in 1947 nog als schandalig gold werd in de jaren '50 door de verbazingwekkende economische groei al snel vanzelfsprekend. Voor het eerst werd een modebeeld (voorheen was couture alleen toegankelijk voor de zeer rijken) door een grotere en nieuwe groep opgepikt: de middenklasse. De modebewuste huisvrouw maakte uit de overbodig geworden verduisteringsgordijnen haar eerste, lange wijde rok volgens de nieuwe lijn en was daarna niet meer te stuiten. De zandlopervorm en de gebeeldhouwde lijnen van de new look kwam in de architectuur en de woninginrichting tot in het kleinste gebruiksvoorwerp terug. Het leven moest weer net als vroeger worden, waarin de rollen van de man en de vrouw gedefinieerd waren. Nadat de vrouw in de oorlog haar mannetje had gestaan, wilde ze nu weer helemaal vrouw zijn, verzorgster van huis en haard. Maar dan wel elegant en vrouwelijk gekleed, de 'fatsoenlijke vrouw liep nooit zonder hoed en handschoenen, had haar tas en schoenen altijd op elkaar afgestemd, droeg accessoires en make-up van dezelfde kleur, altijd hoge hakken en nylons, toonde haar decolleté alleen 's avonds en koos haar stoffen overeenkomstig het uur van de dag (ze verkleedde zich soms wel 6 of 7 keer). 'De elegantie als dwangbuis', zo ontmaskerde Simone de Beauvoir de nieuwe vrouwelijkheidscultus. De new look: zachte, afhangende schouders, een ronde heup en een extreem slanke taille. Overhemdjurken en twinsets met een parelketting bij een plooirokje, getailleerd mantelpakje met een dunne of wijde rok met een petticoat eronder. Pas tegen het eind van de jaren '50 kwamen de geometrische vormen (met invloeden uit de jaren '20) in zwang en schoten de zomen omhoog tot vlak onder de knie.

Eind jaren '50 werd er een nieuwe markt aangeboord: tieners begonnen hun eigen kleren te kopen. De radicale looks van rebels zoals James Dean (leren jasje, spijkerbroek, laarzen) werden door zowel jongens als meisjes opgepikt. In de jaren '60 waren deze tieners uitgegroeid tot rebelse twintigers die alles wat hun ouders heilig was in twijfel trokken en zij kwamen in opstand tegen autoriteit, kerk en staat. Zij hadden hun eigen inkomen en kochten de kleren die zij zelf wilden. Modeontwerpers gingen kleding voor die jongeren maken, voor het eerst vond de mode van de straat toegang tot de haute couture. Yves Saint Laurent is het beste voorbeeld die met zijn avant-gardistische collectie heel commercieel dacht. Hij combineerde de 'nieuwe' mode met haute couture zoals een minirokje met een pullover. Andere ontwerpers die bij jongeren populair waren zijn Mary Quandt en André Courrèges. Echter waren er zoveel sub-culturen dat er niet één enkele stijl representatief voor de jaren '60 is: Mod (beatniks), space (Startrek), hippie (uniseks mode zoals broekpakken, tie-dye shirts, jeans, psychedelische prints). De andere hippie look, die van de flower power beweging, waarvan de ethnische prints, maxi rokken en jurken typerend zijn, werden overgenomen door modehuizen en waren nog zeker tot 1970 'in'.