1930-1940

Op de wilde jaren '20 met hun grote levensvreugde volgde een decennium van stille elegantie. De tijden waren onzeker, de beurskrach van 1929 veroorzaakten faillissementen en werkloosheid, veel haute couture klanten bleven weg. Wie zijn vermogen wist te redden toonde dit in elk geval niet meer demonstratief aan de buitenwereld en feesten werden alleen nog maar thuis gevierd. Van de kleding tot de woninginrichting was alles van voortreffelijke kwaliteit, geen spektakel meer maar ingetogen, aldus societyfotograaf Cecil Beaton. Dat lag niet alleen aan moeilijke tijden maar behoorde ook gewoon tot de moderne tijd: Art Deco en kubisme hadden de voorliefde voor geometrische patronen gestimuleerd. Minimalisme, chroom, spiegels en glas. Terwijl de flappergirl van de jaren '20 dag en nacht in een fladderend hemdje ronddanste, droeg de dame van de jaren '30 's avonds hoofdzakelijk lange jurken en die moesten van satijnzijde zijn (nieuwe uitvinding van Madeleine Vionnet)! Want alleen de duurste stof viel diagonaal gesneden zo mooi gestroomlijnd dat het lichaam geaccentueerd maar niet ontbloot werd. Lang en slank is de karakteristieke lijn van de jaren '30. In tegenstelling tot wat wij nu nog in de populaire Hollywood dansfilms aan overdaad kunnen zien bleven de avondjurken van het 'gewone' publiek eenvoudig en elegant met diepe rugdecolletés ('1930's Trousseau'), slechts gedecoreerd met een parelketting. Fantasierijke hoedjes (altijd schuin op het hoofd gedragen) maakten de vaak strenge stijl van deze jaren wat luchtiger (Elsa Schiaperelli!). Tegen het einde van het decennium werden er weer weelderige strikken of sjaals (Hermès) langs de diepe uitsnijding van de rug gedragen. Overige kenmerken zijn: contrastkleuren, getailleerde mantelpakken, slanke rokken en jurken met een uitwaaierende stolpplooi.

Oorlog en couture - die twee gaan niet samen, zou men denken. Verwoesting van de wereld enerzijds, schepping van schoonheid anderzijds. En toch vond in de mode het verzet van de Fransen zijn natuurlijke expressie. Terwijl elders vrouwen het als hun plicht zagen zich onopvallend en bescheiden te kleden, bekenden de Françaises kleur. Afgezet tegen de natuurlijke elegantie van de jaren '30 ontbrak het de mode tijdens de bezetting aan ongedwongenheid. Veel was ver gezocht: kleurige zijden doeken verwerkt tot 'boerenrokken' en tulbanden of als lappen op kostuums en broeken genaaid uit pure koketterie. De hoeden werden hoger en hoger, net als de schoenen. Voor kleding in andere landen gold dat natuurlijke stoffen en kleding op rantsoen was, daarvoor in de plaats werd rayon en viscose gebruikt veel gebruikt. Veel effen en sombere kleuren zoals zwart of donkerblauw. Alles was vastgelegd: maximale lengte, maximale knopen en plooien. Opgenaaide zakken, dubbele manchetknopen en broekomslagen waren zelfs verboden! De schouders werden breder, mode was gebaseerd op militaire uniformen en veranderde nauwelijks zodat men de kleding langer door kon dragen. Ook werkkleding werd steeds meer als inspiratie voor de mode gezien, de spijkerbroek bijvoorbeeld ontwikkelde zich steeds meer als sexy modeartikel.