(pre) 1900-1920

Op de wereldtentoonstelling van 1900 in Parijs beleefde de Franse Haute Couture haar eerste moment van triomf. Een wereld die beheerst wordt door mannen die van mening waren dat het vrouwenlijf moest worden ingesnoerd om het ideaalbeeld van zandlopervorm te benaderen: in het midden breekbaar en teer, daarboven weelderig en gevuld dankzij het korset en billenvulling (zodat van de zijkant een S-model te zien was). Hoge, nauwe, stijve boorden liefst van kant vereisten een rechte houding van het hoofd. Daarop een hoed met overdaad van opsmuk, bij voorkeur struisveren: de duurste versiering en daarom een statussymbool. Alles zo veel mogelijk bedekt, van de oren tot de tenen met een tot aan de vloer reikende rok en met heel veel versiering: de femme ornée van de Belle Epoque. Maar op de drempel stond al de 'femme liberée', de bevrijde vrouw aan wier bevrijding velen hebben meegewerkt. Niemand steunde deze revolutie in de haute couture meer dan Paul Poiret: de eerste couturier. De jaren '20 bestonden uit charleston en jazz, pagekopjes en rode lippen, sigaretten en korte rokken, vrije liefde en geboorteregelingen met aan het eind de grote depressie die de hele wereld trof. Na de gruwelen van de (Eerste Wereld)oorlog wilden de mensen zich vermaken. Vooral voor vrouwen ging er een wereld open! Nadat zij in de oorlog in allerlei functies hun mannetje hadden gestaan, kon niemand meer verwachten dat vrouwen genoegen zouden nemen met hun oude rol. Zij eisten beroepen die meer aanzien genoten en beter betaalden dan huishoudelijk werk. Het geld gaven ze uit aan hun uiterlijk. Iedereen had immers net meegemaakt dat het leven in een klap voorbij kon zijn: pluk de dag, tenminste zolang je jong en vitaal was. De jeugdige verschijning is dan ook een uitvinding van de jaren '20. Ook typerend voor de mode van deze jaren waren de cloche-hoed en flapper dress maar ook de casual look werd voor het eerst aan het grote publiek geïntroduceerd, vrouwen gingen bijvoorbeeld steeds meer broeken en broekrokken dragen.